(Naar: De gastarbeiders werden migranten of, nog later; allochtonen, ook in Lokeren. Door Mario Hoste en Nico Van Campenhout Uit: VAN CAMPENHOUT, N. (red), Maatschappelijke Ontwikkelingen in Lokeren, Eksaarde en Daknam 1944-2000. Lokeren, 2000)
Lokeren in de jaren 1950 en 1960, een economisch-demografische schets
Vanaf de jaren 1960 oefende Lokeren een aantrekkingskracht uit op heel wat vreemdelingen. De verklaring hiervoor is voornamelijk van sociaal-economische aard. Lokeren was na de Tweede Wereldoorlog jarenlang een stad waar de bevolkingsevolutie slechts een zeer geleidelijke stijging vertoonde. Zowat alle specialisten, sociaal-economische organisaties en beleidsmakers waren het erover eens dat vooral aan het negatief migratiesaldo iets moest worden gedaan. Daarnaast was de economische situatie van Lokeren na 1944 lange tijd heel problematisch: de lokale, artisanale bedrijfjes en de verouderde (textiel)industrie konden niet zorgen voor voldoende tewerkstelling en betaalden slechts lage lonen. Veel gediplomeerde jongeren trokken weg uit de Durmestad omdat zij geen goede toekomstperspectieven hadden. De vrees bestond dat de vervanging van oudere arbeiders problematisch zou kunnen worden, waardoor de ondernemers in de problemen zouden komen en aan herlokalisering zouden kunnen denken. Het schrikbeeld van een economische woestenij aan de Durme begon sommigen dan ook voor de ogen te dagen.
Het stadscentrum, dat in 1955 nog 60 % van de bevolking telde, liep geleidelijk leeg. De autochtone Lokeraar trok naar de rand van de stad en de nieuwe migranten betrokken vaak mensonwaardige huisjes en krotten in de binnenstad. De huidige woonconcentratie van mediterrane migranten in en rond de Heirbrug, Oude Bruglaan, Sterrestraat, Kouter en Karrestraat en in de centrumstraten Zelestraat, Molenstraat, Brugstraat en Schoolstraat, is dus historisch gegroeid. Enkele belangrijke ingrepen in het huisvestingsbeleid tijdens de jaren 1970 en 1980 brachten enige verbetering: krotten werden opgeruimd, het sociaal huisvestingsbeleid werd geïntensifieerd, buurten werden leefbaarder gemaakt door allerlei voorzieningen in te planten. Niettemin blijft de concentratie van de migranten in de binnenstad relatief hoog.
De nationale overheid was zich vanaf de jaren 1960 goed bewust van het tekort aan jonge, goedkope arbeidskrachten in steden zoals Lokeren, o.a. om het werk te verrichten dat de meeste autochtonen als minderwaardig waren gaan beschouwen. Er werden actieve, heel gerichte en wervende campagnes gelanceerd met als bedoeling jonge migranten naar België te lokken. Spanjaarden en Italianen vormden de eerste doelgroep.
Belangrijker werd naderhand het aandeel van migranten uit Maghreb enerzijds en later uit Turkije anderzijds. Aanvankelijk was iedereen er overigens van overtuigd dat de aanwezigheid van deze gastarbeiders slechts tijdelijk zou zijn. Na enkele jaren zou de behoefte aan laaggeschoolde arbeid wel verdwijnen en zouden de betrokkenen terugkeren, een ervaring rijker en – wellicht – een illusie armer. De realiteit was echter anders. Enkelingen zagen dat toen al in. Hoewel een aanzienlijk deel van Zuid-Europese gastarbeiders wel degelijk is teruggekeerd, zijn de meeste Noord-Afrikaanse en Turkse migranten en hun gezinnen gebleven. Zo kwam er een tweede en een derde generatie, waarvan sommigen op hun beurt een partner uit de landen van herkomst lieten overkomen. Sinds enkele jaren dienen zich bovendien nieuwe migratiestromen aan, o.a. uit Oost-Europa en zwart Afrika.
Italiaanse en Spaanse migranten
De migranten uit Spanje en Italië die zich definitief in Lokeren vestigden, kenden relatief weinig integratiemoeilijkheden. De groep Italianen is eerder klein geweest en van beperkte betekenis. De groep Spanjaarden (op het hoogtepunt zo‘n 250) was belangrijker. Aanvankelijk verkeerden ook zij in de marginale maatschappelijke omstandigheden die vaak kenmerkend zijn voor etnische minderheden. De huisvesting van de Spanjaarden, waarvan de eerste groep medio de jaren 1960 naar Lokeren kwam, liet in de beginperiode heel wat te wensen over. Zij werden als het ware gekazerneerd in de beluikjes of in krotwoningen. De migratiestroom kwam op gang via familiale relaties en mond-aan-mond-reclame. Deze gastarbeiders belandden nagenoeg uitsluitend in de textiel- en vellenverwerkende fabrieken waar zelfs expliciet naar Spanjaarden werd gevraagd. Zeer vaak gingen de beide echtgenoten van de Spaanse gezinnen er werken. De meesten onder hen waren immers vertrouwd met hard labeur, zij het op het veld. Het waren vooral deze ervaring en het voorbeeldige arbeidsethos die de Lokerse industriëlen aanspraken. De oudere generatie Spanjaarden keerde bijna in zijn totaliteit naar het moederland terug. De meesten waren immers naar hier gekomen om een zeker kapitaal te vergaren om daarna in eigen land een zaak te beginnen, terwijl zij ondertussen in België zo sober mogelijk leefden. De maatschappelijke en materiële voorwaarden van de Spaanse migranten in Lokeren werden na verloop van enige tijd ook relatief beter, zodat zij zich als gemeenschap niet naar binnen toe keerden. Hun cultuur en godsdienst stonden evenmin echt veraf van de lokale (arbeiders)cultuur. Als er al problemen waren, dan situeerden die zich op het vlak van de taal. De Spanjaarden hadden ook het geluk dat zij steun vonden bij enkele zeer geëngageerde inwoners van Lokeren, die hen met raad en daad bijstonden. Het gros van de Spanjaarden was immers analfabeet. De aanvankelijk wekelijkse kerkdiensten, die door enkele franciscanen zoals Van Speybroeck en Joosen in het Spaans werden verzorgd, werden door de katholieke Spanjaarden druk bijgewoond. Na het verdwijnen van het Franco-regime in de jaren 1970 keerden heel wat Spaanse migranten naar hun thuisland terug en in de jaren 1980 werd hun terugkeer nog aangemoedigd door de economische relance na de opname van Spanje in de toenmalige Europese Gemeenschap.
Turkse en Magrebijnse migranten
Een groot deel van de Marokkaanse gemeenschap in Lokeren is afkomstig uit het Rifgebied. Het zijn dus vooral Berbers, die quasi niet werden gekoloniseerd. Hun werkervaring in Marokko bestond uit lichte veldarbeid of uit het hoeden van schapen. Bijgevolg waren zij niet echt vertrouwd met de arbeidscultuur in de Westerse fabrieken en met de Belgische gewoonten en reglementeringen die sowieso ingewikkeld zijn. Voor de eerste Marokkaanse en Turkse migranten, die aanvankelijk zeer gericht werden aangeworven, was de ondoorzichtige administratieve rompslomp onbegrijpelijk. Meermaals werd vastgesteld dat deze migranten in het zwarte circuit werkten en heel vaak was er sprake van uitbuiting van deze onwetende groep gastarbeiders.
Het probleem van de opvang, de huisvesting enz… van de gastarbeiders die in een economisch minder gunstige periode zonder werk kwamen te zitten, werd door de bedrijfswereld goeddeels afgewenteld op de samenleving en de overheid. Ondertussen bekommerde de politieke wereld zich trouwens evenmin echt intensief om het welzijn en de inburgering van de migranten of over de begeleiding van de autochtone bevolking naar een zich wijzigende, cultureel gediversifieerde samenleving.
Stedelijk Integratiebeleid
Ondertussen was aan het eind van de jaren 1960 in Lokeren in de schoot van de stedelijke VVV Cultuurgemeenschap een ’Werkgroep (later Commissie) Gastarbeiders‘ opgericht, die zich specifiek bezighield met de integratie van migranten. Hierbij stelde men toen al een aantal problemen vast die eigenlijk ook nu nog actueel zijn en waarvoor actie werd ondernomen om ze op te lossen, zij het lang niet altijd met het beoogde resultaat: de ontoereikende huisvesting van de meeste migranten, het vormen van getto‘s, het discriminerend optreden van sommige café-uitbaters (bordjes “vreemdelingen niet toegelaten”), het gebrek aan gebeds- en ontmoetingsruimten, het voorlichten van de publieke opinie en de schoolbevolking betreffende de cultuur, de gebruiken en de gewoonten van migranten. Ook het jeugdhuis T-Club was aanvankelijk zeer nauw betrokken bij de begeleiding en de opvang van de Lokerse migranten. In een later stadium vervulde het ’Centrum voor Jonge Migranten‘ een voortrekkersrol, o.a. inzake huiswerkbegeleiding, (naschoolse) opvang van kinderen en andere welzijnsinitiatieven.
Een groot struikelblok was en is de kennis van het Nederlands, waardoor talrijke migranten maatschappelijk achterop gera(a)k(t)en, o.a. in het onderwijs. De taalproblemen werden in Lokeren voor het eerst aangepakt vanuit het toenmalige Provinciaal Handels- en Taalinstituut: 11 cursisten ontvingen in juni 1970 een diploma Nederlandse taal.
Al bij al waren tijdens de jaren 1970 en 1980 echter nog te weinig migranten daadwerkelijk geïnteresseerd of aangemoedigd om zich te engageren in deze en andere integrerende initiatieven. De lokale migrantenwerking werd trouwens ook bemoeilijkt door de houding van een deel van de autochtone bevolking en door sommige interventies van de plaatselijke politiediensten.
Intussen beschikten aan het eind van de jaren 1980 zowel de Turkse als de Marokkaanse gemeenschap in Lokeren over een moskee, respectievelijk in de Koophandelstraat en in de Veldstraat (sedert 1986 in Hoedhaarstraat). De socio-culturele verenigingen rond de beide moskeeën vervullen naast hun godsdienstige functie overigens ook meer en meer een maatschappelijke rol (b.v. vertegenwoordiging in het Forum Etnisch-Culturele Minderheden, samenwerking bij vormingen, kunst- en cultuurprojecten van de Turks-Islamitische Culturele Vereniging (kinderfeest, dansproject)).
Het jongste decennium
Tijdens de voorbije 15 jaar nam het minderhedenbeleid in Lokeren, zoals in veel andere Vlaamse steden, een nieuwe wending. Het werd met name ingepast in het ruimere kader van de strijd tegen de kansarmoede. Zo werd eind 1990 door de Vlaamse overheid het Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen (VFIK) opgericht, dat zich de maatschappelijke integratie van de zwaksten in de samenleving tot doel stelde. De VFIK-projecten omvatten alle terreinen waarbinnen de oorzaken van maatschappelijke uitsluiting en achterstelling kunnen worden gesitueerd: gezin, onderwijs, tewerkstelling, huisvesting, vrije tijd. Voor het jaar 1991 kreeg Lokeren 25 miljoen VFIK-gelden toebedeeld, waarvan volgens de decretale bepalingen een kwart diende te worden aangewend voor de integratie van migranten. Het beheer van de VFIK-middelen, en vooral de daarmee te ontwikkelen initiatieven, werd in handen gegeven van de stedelijke vzw VFIK-Lokeren, die o.a. in 1992 het stadsbestuur overtuigde om de voormalige textielfabriek Neveda in de Groendreef aan te kopen en om te bouwen tot jeugdcentrum. Over het feit of dit ’Stedelijk Jeugdcentrum Bergendries‘, waarvan het eerste deel in gebruik werd genomen in mei 1994 en waarvan de sportvloer in november 1995 werd geopend, zich moest richten naar alle Lokerse jongeren dan wel meer specifiek naar de allochtonen onder hen, bestond lange tijd heel wat onenigheid en onduidelijkheid. Dat alles belette evenwel niet dat rapporten die het Lokers integratie- en minderhedenbeleid en de kansarmoedebestrijding tussen 1980 en 1995 onder de loep namen, tot de conclusie kwamen dat de Durmestad op dit terrein niet beter of slechter scoorde dan andere, vergelijkbare Vlaamse steden.
Ondertussen was midden 1995 de werking van de vzw VFIK-Lokeren stilgelegd door het eerder dat jaar aangetreden VLD-SP-stadsbestuur. Het lokale kansarmoedebeleid, inclusief het beleid ten aanzien van etnisch-culturele minderheden, werd voortaan gecoördineerd door een nieuw opgerichte stedelijke welzijnsdienst, die werd gehuisvest in het ’Stedelijk Jeugdcentrum Bergendries‘. Een en ander was het resultaat van een koerswijziging van het stedelijk sociaal beleid, die er uitdrukkelijk voor opteert om het allochtonenbeleid niet zozeer specifiek of geïsoleerd te voeren maar veeleer als een onderdeel van een globale, decategoriale en emancipatorische aanpak t.o.v. diverse maatschappelijk minderbedeelde of kansarme groepen. Deze visie en aanpak wordt weliswaar niet door iedereen gedeeld en stuit o.a. bij een deel van de allochtonen op onbegrip.
Vanaf 1996 kon de stedelijke welzijnsdienst voor zijn beleidsvoering en activiteiten een beroep doen op kredieten van het Sociaal Impulsfonds (SIF) van de Vlaamse regering, dat o.m. het VFIK had opgeslorpt. Deze nieuwe geldstroom behoort in het algemeen te worden gericht op de bestrijding van de kansarmoede en in het bijzonder op de verbetering van de leef- en omgevingskwaliteit in achtergestelde buurten. In Lokeren werden de SIF-middelen o.m. gebruikt om het ’Stedelijk Jeugdcentrum Bergendries‘ volwaardig uit te bouwen (speelatelier, jongereninformatiepunt, speelotheek enz.).
Naast deze stedelijke initiatieven was sinds 1990 ook de vzw ’Lokerse Integratiedienst‘ actief, die werd erkend, gesubsidieerd en gecontroleerd door de Vlaamse overheid. De kernopdracht van deze dienst bestond erin om de organisatiegraad binnen de allochtonengemeenschappen te versterken en de relaties tussen autochtonen en allochtonen te verbeteren. Concreet besteedde deze Integratiedienst o.a. aandacht aan scholenwerking (met huisbezoeken), taallessen, een preventieproject in de stationsbuurt, jongerenvoetbal, naschoolse begeleiding, buurtwerking enz. Vanaf 2000 fungeert deze vereniging als plaatselijk steunpunt van het ’Provinciaal Integratiecentrum Oost-Vlaanderen‘ (PICO). Het Provinciaal Integratiecentrum PICO verhuisde in 2005 van de Schoolstraat in Lokeren naar Sint-Niklaas. PICO werd Odicé, het Oost-Vlaamse Diversiteitscentrum, dat in de toekomst een regionale i.p.v. lokale werking heeft.
De Lokerse gemeenteraad gaf op 25 september 2000 de goedkeuring van een ’nota minderhedenbeleid‘ en aansluitend daarbij de beslissing om een stedelijke integratiedienst op te richten, die er zal moeten voor zorgen dat de stadsdiensten op alle niveaus meer oog hebben voor de allochtonen en hun specifieke noden. In dat kader moet ook de aanstelling worden gezien van een stedelijke onthaalambtenaar, die anderstalige nieuwkomers helpt om wegwijs te geraken in het maatschappelijk leven van Lokeren.
In 2001 richtte stad Lokeren de stedelijke integratiedienst op met de eerste stedelijke integratieconsulent, nu integratieambtenaar. Deze dienst omvat anno 2006 twee personeelsleden met 1,5 fulltime betrekking.